Skip to content
ESC 2024: Verhoogde bloeddruk en hypertensie

ESC 2024: Verhoogde bloeddruk en hypertensie

Bron: 2024 ESC Guidelines for the management of elevated blood pressure and hypertension. Deze samenvatting is bedoeld als praktisch hulpmiddel en vervangt geen lokale protocollen of klinisch oordeel.

1. Kernboodschappen voor de poli

Onderwerp Praktische boodschap
Definitie hypertensie Bevestigde spreekkamer-BD ≥140/90 mmHg. Bevestig bij voorkeur met thuis- of 24-uursmeting.
Nieuwe categorie Verhoogde BD: spreekkamer 120-139/70-89 mmHg. Niet automatisch medicatie, maar risico-stratificatie.
Behandeldoel Meestal systolisch 120-129 mmHg, mits goed verdragen. Streef diastolisch meestal naar 70-79 mmHg.
Eerstelijnsmedicatie ACE-remmer of ARB, dihydropyridine calciumantagonist, thiazide/thiazide-achtig diureticum.
Startstrategie Bij bevestigde hypertensie meestal direct combinatietherapie, bij voorkeur als single-pill combination.
CKD Bij matig-ernstige CKD en BD ≥130/80: leefstijl + medicatie aanbevolen, mits verdragen. SGLT2-remmer aanbevolen bij CKD en eGFR >20 ml/min/1,73 m².
Albuminurie/proteïnurie ACE-remmer of ARB overwegen/voorkeur, omdat deze albuminurie beter reduceren. Geen ACE-remmer + ARB combineren.
Resistente hypertensie Denk aan pseudo-resistentie, therapietrouw, zout/volume, secundaire oorzaken. Verwijs laagdrempelig naar expertisecentrum.
Secundaire hypertensie Screen bij suggestieve anamnese/kliniek; overweeg renine/aldosteron bij alle volwassenen met bevestigde hypertensie.
Oud/frailty <85 jaar en niet matig-ernstig frail: behandel meestal zoals jongere patiënten als behandeling verdragen wordt. Bij ≥85 jaar/frailty: individualiseren.

2. Bloeddrukcategorieën

2.1 Drempels per meetmethode

Categorie Spreekkamer-BD Thuis-BD ABPM overdag ABPM 24 uur ABPM nacht
Niet-verhoogd <120/70 <120/70 <120/70 <115/65 <110/60
Verhoogd 120-139/70-89 120-134/70-84 120-134/70-84 115-129/65-79 110-119/60-69
Hypertensie ≥140/90 ≥135/85 ≥135/85 ≥130/80 ≥120/70

Let op: spreekkamer-BD is alleen betrouwbaar als gestandaardiseerd gemeten wordt. Routinemetingen kunnen 5-10 mmHg hoger uitvallen dan gestandaardiseerde metingen.

2.2 Praktische interpretatie

Situatie Actie
BD <120/70 Geen antihypertensieve medicatie op basis van BD; leefstijlpreventie en periodieke controle.
BD 120-139/70-89 Risico inschatten. Medicatie alleen bij voldoende hoog cardiovasculair risico en meestal pas bij persisterend ≥130/80 na leefstijlperiode.
BD ≥140/90 Hypertensie: leefstijl + medicatie starten na bevestiging, ongeacht SCORE-risico.
BD ≥180/110 Hypertensieve crisis/emergency uitsluiten. Bij acute orgaanschade: spoedbehandeling.

3. Correct meten: spreekkamer, thuis en ABPM

3.1 Spreekkamermeting: checklist

Stap Uitvoering
Voorbereiding 5 minuten rust, zittend, rustige ruimte. Geen inspanning/cafeïne/tabak in de 30 minuten ervoor. Blaas leeg indien nodig.
Houding Rug gesteund, voeten plat, benen niet gekruist, arm ondersteund op harthoogte.
Manchet Juiste maat; bovenarmmanchet op harthoogte. Geen opgerolde mouw onder manchet.
Aantal metingen 3 metingen, 1-2 minuten tussen metingen. Noteer gemiddelde van laatste 2.
Eerste consult Meet beide armen. Bij systolisch verschil >10 mmHg: vervolgmetingen aan arm met hoogste waarde.
Pols Palpeer pols/registreer hartfrequentie; denk aan ritmestoornis/AF.
Orthostase Bij diagnose en bij klachten: BD na 5 min zitten/liggen, daarna na 1 en/of 3 min staan. Positief bij daling ≥20 systolisch of ≥10 diastolisch.

3.2 Thuismeting: instructie voor patiënt

Stap Advies
Apparaat Gevalideerde bovenarmmeter; laat apparaat/techniek periodiek controleren.
Frequentie 2 metingen per sessie, 1-2 minuten apart.
Moment Ochtend en avond, bij voorkeur 3 dagen en idealiter 7 dagen. Ochtend vóór ontbijt en vóór medicatie, maar niet direct na wakker worden.
Analyse Gemiddelde van alle metingen gebruiken.
Diagnose hypertensie Gemiddelde thuis-BD ≥135/85 mmHg.

3.3 ABPM: interpretatie

Parameter Drempel hypertensie
24-uursgemiddelde ≥130/80
Daggemiddelde ≥135/85
Nachtgemiddelde ≥120/70
Geldigheid Minimaal 70% bruikbare metingen; bij voorkeur ≥27 metingen/24 uur.

Wanneer ABPM extra nuttig is: verdenking wittejashypertensie, gemaskeerde hypertensie, nachtelijke hypertensie, therapieresistentie, symptomen van hypotensie, grote discrepantie tussen spreekkamer en thuis.


4. Diagnostisch stappenplan hypertensie

4.1 Bevestiging na screeningsmeting

Screening spreekkamer-BD Praktische vervolgstap
<120/70 Herhaal opportunistisch: <40 jaar ten minste elke 3 jaar; ≥40 jaar jaarlijks.
120-139/70-89 Bij verhoogd CVD-risico: bevestig met HBPM/ABPM of herhaalde spreekkamer-BD. Bij laag risico: leefstijl en herbeoordeling binnen 1 jaar.
140-159/90-99 Diagnose bij voorkeur bevestigen met HBPM/ABPM. Als niet haalbaar: herhaalde gestandaardiseerde spreekkamermetingen op >1 bezoek.
160-179/100-109 Zo snel mogelijk bevestigen, bij voorkeur binnen 1 maand, met HBPM/ABPM of herhaalde spreekkamer-BD.
≥180/110 Hypertensieve emergency uitsluiten. Zonder acute orgaanschade: snelle bevestiging en behandeling.

4.2 Baseline-evaluatie bij verhoogde BD/hypertensie

Doel: cardiovasculair risico bepalen, orgaanschade opsporen, secundaire oorzaken herkennen en medicatiekeuze sturen.

Onderdeel Wat doen? Waarom?
Anamnese Duur BD, familieanamnese, CVD, CKD, DM, zwangerschapscomplicaties, slaapapneu-klachten, medicatie/drugs, zout/alcohol, NSAID’s, drop, OAC, steroïden, stimulantia. Secundaire oorzaken, risicofactoren en behandelkeuze.
Lichamelijk onderzoek BMI, middelomtrek, souffle abdomen/carotiden, tekenen Cushing/thyreoïd, perifeer vaatlijden, hartfalen, neurologie. Risico en secundaire hypertensie.
Lab routine Glucose/HbA1c, lipiden, Na/K/Ca, Hb/Ht, TSH, kreatinine/eGFR, urine sediment/dipstick, urine ACR. CVD-risico, CKD/HMOD, secundaire oorzaken.
ECG 12-kanaals ECG. LVH, AF, doorgemaakt infarct, ritme.
Optioneel Echo cor, CAC-score, carotis/femoralis-echo, PWV, troponine/NT-proBNP, ABI, fundoscopy. HMOD/risico verfijnen als beleid hierdoor verandert.

5. Cardiovasculaire risicostratificatie bij verhoogde BD

Bij bevestigde hypertensie ≥140/90 is medicamenteuze behandeling aanbevolen ongeacht SCORE. Bij verhoogde BD 120-139/70-89 bepaalt risico of medicatie nodig is.

5.1 Hoog-risicocondities: medicatie eerder overwegen

Hoog-risicoconditie Praktische definitie/voorbeelden
Matig-ernstige CKD eGFR <60 ml/min/1,73 m² en/of ACR ≥30 mg/g, oftewel ≥3 mg/mmol.
Klinische CVD Coronairlijden, cerebrovasculaire ziekte/TIA/stroke, perifeer vaatlijden, hartfalen.
HMOD LVH, albuminurie/CKD, arteriële stijfheid, plaques, retinopathie, verhoogd NT-proBNP/troponine passend bij orgaanschade.
Diabetes mellitus Type 1 of type 2; bij type 2 <60 jaar SCORE2-Diabetes overwegen om lagere risicogroep te herkennen.
Familiaire hypercholesterolemie Probable/definite FH.

5.2 SCORE-gebruik

Leeftijd Tool Interpretatie voor BD-behandeling
40-69 jaar SCORE2 ≥10% 10-jaarsrisico = voldoende hoog risico.
≥70 jaar SCORE2-OP ≥10% 10-jaarsrisico = voldoende hoog risico.
<40 jaar SCORE2 niet gevalideerd Overweeg HMOD-screening bij verhoogde BD, vooral bij twijfel.

5.3 Risicomodificatoren bij borderline risico 5-<10%

Type Voorbeelden
Vrouw-specifiek Zwangerschapshypertensie, pre-eclampsie, zwangerschapsdiabetes, vroeggeboorte, doodgeboorte, recidiverende miskramen.
Gedeeld Zuid-Aziatische of andere hoog-risico etniciteit, premature ASCVD in familie, socio-economische deprivatie, auto-immuun inflammatoire ziekte, HIV, ernstige psychiatrische aandoening.
Extra testen bij onzekerheid CAC-score, carotis/femoralis-plaque, hs-troponine, BNP/NT-proBNP, PWV.

5.4 Praktisch beslisschema verhoogde BD

  1. Bevestig BD met HBPM/ABPM.
  2. Is er CKD, CVD, HMOD, diabetes of FH?
    • Ja: hoog risico.
    • Nee: bereken SCORE2/SCORE2-OP indien leeftijd passend.
  3. SCORE ≥10%?
    • Ja: hoog risico.
    • Nee, 5-<10%: zoek risicomodificatoren; overweeg aanvullende risicotesten als beleid onzeker is.
  4. Hoog risico én BD persisterend ≥130/80 na maximaal 3 maanden leefstijl?
    • Start medicatie.
  5. Laag/matig risico?
    • Leefstijl, jaarlijkse herbeoordeling; medicatie individueel bespreken als BD 130-139/80-89 persisteert ondanks 6-12 maanden leefstijl.

6. Wanneer behandelen?

BD-categorie Risico Behandeling Controle
<120/70 Iedereen Leefstijlpreventie. Geen BD-medicatie op basis van BD. Opportunistisch.
120-129/70-79 Meestal ook bij hoog risico Leefstijl; medicatie meestal niet starten. Risico/BD opvolgen.
130-139/80-89 Laag/matig risico <10%, geen risicomodificatoren Leefstijl; medicatie individueel bij persisteren na 6-12 maanden. Jaarlijks of vaker.
130-139/80-89 Hoog risico of SCORE ≥10%, of borderline + risicomodificatoren Leefstijl 3 maanden; daarna medicatie als BD ≥130/80 blijft. Tot controle elke 1-3 maanden.
≥140/90 Alle patiënten Leefstijl + medicatie prompt starten na bevestiging. Tot controle elke 1-3 maanden; daarna minimaal jaarlijks.
≥180/110 Alle patiënten Emergency uitsluiten. Bij acute HMOD spoedzorg. Afhankelijk van situatie.

7. Behandeldoelen

Patiëntgroep Streefwaarde indien verdragen
Meeste volwassenen Systolisch 120-129 mmHg; diastolisch meestal 70-79 mmHg.
Diabetes Systolisch 120-129 mmHg, indien verdragen.
CKD eGFR >30 Systolisch 120-129 mmHg, indien verdragen.
CKD eGFR ≤30 of niertransplantatie Individualiseren; voorzichtigheid met intensieve doelen.
Secundaire preventie na stroke/TIA Systolisch 120-129 mmHg, indien verdragen.
≥85 jaar Individualiseren; vaker doel <140 mmHg of ALARA.
Matig-ernstige frailty Individualiseren; vaak minder intensief.
Symptomatische orthostase vooraf Individualiseren; vaak minder intensief, eerst orthostase aanpakken.
Slechte tolerantie ALARA: as low as reasonably achievable.

Niet automatisch de-intensiveren bij asymptomatische waarden <120/70 als medicatie om andere redenen geïndiceerd is en patiënt behandeling goed verdraagt. Wel alert op syncope, orthostase, AKI, hyperkaliëmie en kwaliteit van leven.


8. Leefstijlinterventies

Interventie Praktisch advies Verwacht effect/reden
Zoutbeperking Natrium ca. 2 g/dag, overeenkomend met zout ca. 5 g/dag of minder. Let vooral op bewerkt voedsel. Verlaagt BD en CVD-risico bij hoge zoutinname.
Kalium Bij hypertensie en hoge zoutinname zonder matig-ernstige CKD: +0,5-1,0 g/dag via voeding of kaliumzout. Verlaagt BD; monitor K bij CKD/RAAS-remmer/MRA.
Beweging ≥150 min/week matig intensief of 75 min/week intensief aeroob; plus 2-3x/week weerstandstraining. Systolische BD vaak 5-8 mmHg lager.
Gewicht Streef stabiel gezond gewicht; BMI 20-25 kg/m² en middelomtrek <94 cm man, <80 cm vrouw als praktische doelen. Gewichtsverlies 5 kg verlaagt BD gemiddeld ca. 4/4 mmHg.
Dieet Mediterraan of DASH. Veel groente/fruit/noten/vis, weinig rood/bewerkt vlees. BD- en CVD-risicoreductie.
Alcohol Onder ca. 100 g/week pure alcohol; liefst vermijden voor beste gezondheid. Alcohol verhoogt hypertensierisico.
Suikerdrank Vrije suikers max. 10% energie; suikerhoudende dranken ontmoedigen. Minder gewichtstoename/metabool risico.
Roken Stoppen + begeleiding. Groot CVD-effect, ook al is BD-effect beperkt.

9. Medicamenteuze behandeling: praktisch algoritme

9.1 Eerstelijns middelen

Klasse Plaats Belangrijke aandachtspunten
ACE-remmer 1e lijn Vooral nuttig bij albuminurie, diabetes, hartfalen, post-MI. Let op kreatinine/K. Niet tijdens zwangerschap.
ARB 1e lijn Alternatief voor ACE-remmer; minder hoest/angio-oedeem. Niet tijdens zwangerschap.
Dihydropyridine CCB 1e lijn Amlodipine/nifedipine-achtig. Let op enkeloedeem. Geschikt bij ouderen/zwarten.
Thiazide/thiazide-achtig diureticum 1e lijn Chloortalidon/indapamide/HCT. Let op Na/K/urinezuur/glucose. Bij lage eGFR vaak loopdiureticum nodig.
Bètablokker Niet routine 1e lijn zonder indicatie Wel bij angina, post-MI, HFrEF/HFmrEF, ritme/frequentiecontrole. Minder geschikt bij geïsoleerde systolische hypertensie/arteriële stijfheid.

9.2 Start en titratie

Stap Beleid
1 Bij bevestigde hypertensie meestal start lage dosis 2-combinatie: ACEi/ARB + CCB of ACEi/ARB + diureticum. Bij voorkeur single-pill.
2 Na 1-3 maanden evalueren; 1 maand bij voorkeur. Controleer BD, bijwerkingen, kreatinine/eGFR/K indien RAAS/diureticum/MRA.
3 Niet op doel: lage dosis triple: ACEi/ARB + CCB + thiazide/thiazide-achtig diureticum.
4 Niet op doel: titreren naar maximaal verdragen triple.
5 Nog steeds ≥140/90 ondanks triple incl. diureticum: denk aan resistente hypertensie. Check therapietrouw, meting, zout, secundair. Verwijs/overleg.
6 Voeg bij echte resistente hypertensie meestal spironolacton toe indien eGFR/K geschikt.

9.3 Wanneer liever monotherapie of trager titreren?

Situatie Aanpak
Verhoogde BD 120-139/70-89 met indicatie voor medicatie Start meestal monotherapie.
Leeftijd ≥85 jaar Langzaam, lage dosis, individueel.
Matig-ernstige frailty Langzaam, lage dosis, gedeelde besluitvorming.
Symptomatische orthostase Eerst orthostase analyseren/aanpakken; voorzichtig behandelen.

9.4 Contra-indicaties en valkuilen

Niet doen Waarom
ACE-remmer + ARB combineren Meer nierfunctieverslechtering/hyperkaliëmie zonder netto voordeel.
RAAS-remmer tijdens zwangerschap Foetale/neonatale schade.
Bètablokker + non-dihydropyridine CCB combineren Risico bradycardie/AV-block, vooral bij hartziekte.
Spironolacton starten bij eGFR <30 of K >4,5 mmol/L bij resistente hypertensie Hoog risico hyperkaliëmie.
Renale denervatie als eerstelijnsbehandeling Geen bewezen CVD-outcomevoordeel; alleen geselecteerde patiënten.

10. Nefrologische focus: CKD en hypertensie

10.1 CKD als risicoconditie

Matig-ernstige CKD geldt als hoog cardiovasculair risico. Praktisch: eGFR <60 ml/min/1,73 m² en/of ACR ≥30 mg/g (≥3 mg/mmol).

Situatie Beleid
Hypertensie + CKD Meet kreatinine/eGFR en urine ACR bij alle patiënten.
Matig-ernstige CKD vastgesteld Minimaal jaarlijks kreatinine/eGFR en urine ACR herhalen; vaker bij medicatiewijziging/instabiliteit.
CKD + hypertensie Overweeg nier-echo/Doppler om nierstructuur, renoparenchymateuze ziekte en renovasculaire hypertensie te beoordelen.
CKD + albuminurie/proteïnurie ACE-remmer of ARB onderdeel van strategie overwegen.
CKD + eGFR >20 SGLT2-remmer aanbevolen om uitkomsten te verbeteren, met bescheiden BD-effect.
CKD + eGFR <30 Voor definitie resistente hypertensie is adequaat gedoseerd loopdiureticum nodig.
CKD stadium 4 + resistente hypertensie Chloortalidon kan effectief zijn, vaak naast loopdiureticum; monitor elektrolyten/nierfunctie nauw.

10.2 Behandeldoelen bij CKD

CKD-groep Doel
eGFR >30 met matig-ernstige CKD Systolisch 120-129 mmHg indien verdragen.
eGFR ≤30 Individualiseren; balans CVD-voordeel versus AKI/hyperkaliëmie/orthostase.
Niertransplantatie Individualiseren.
Significante albuminurie RAAS-remming vaak gunstig, maar monitor kreatinine en K.

10.3 Monitoring na start/wijziging RAAS-remmer, diureticum of MRA

Medicatie Controle Waarop letten?
ACE-remmer/ARB Kreatinine/eGFR en K binnen enkele weken na start/titratie; eerder bij hoog risico. Acceptabele beperkte eGFR-daling kan voorkomen; let op forse kreatininestijging, hyperkaliëmie, bilaterale nierarteriestenose.
Thiazide/thiazide-achtig Na/K, kreatinine, urinezuur, glucose afhankelijk van risico. Hyponatriëmie, hypokaliëmie, jicht, dehydratie.
Loopdiureticum Na/K/Mg, nierfunctie, volume. Hypovolemie, elektrolytstoornissen.
Spironolacton/eplerenon K en eGFR kort na start en frequent daarna. Hyperkaliëmie, daling eGFR; spironolacton: gynaecomastie/seksuele bijwerkingen.
SGLT2-remmer eGFR, volume, infecties/risicoprofiel. Initiële eGFR-dip, dehydratie, ketoacidose-risico in specifieke situaties.

11. Resistente hypertensie

11.1 Definitie

Resistente hypertensie: spreekkamer-BD blijft ≥140/90 mmHg ondanks leefstijlmaatregelen en maximaal/maximaal verdragen doses van drie middelen, waaronder:

  1. RAAS-blokker: ACE-remmer of ARB
  2. Calciumantagonist
  3. Diureticum: thiazide/thiazide-achtig, of bij eGFR <30 een adequaat gedoseerd loopdiureticum

De verhoogde BD moet bevestigd zijn met HBPM/ABPM.

11.2 Eerst pseudo-resistentie uitsluiten

Oorzaak Praktische check
Onjuiste meting Manchetmaat, rust, armhoogte, gemiddelde, wittejas-effect.
Wittejashypertensie HBPM/ABPM.
Non-adherentie Open gesprek zonder schuld; apotheekdata; zo nodig bloed/urine medicatiespiegel of observed therapy.
Suboptimale medicatie Te lage dosis, geen diureticum, onlogische combinaties.
Zout/volume Dieetanamnese, oedeem, 24-uurs natrium of spot Na/K indien beschikbaar.
BD-verhogende middelen NSAID’s, corticosteroïden, OAC, sympathicomimetica, stimulantia, drop, calcineurineremmers, VEGF-remmers, alcohol.

11.3 Behandeling echte resistente hypertensie

Stap Beleid
1 Verwijs/overleg met hypertensie- of nefrologie-expertisecentrum.
2 Optimaliseer triple therapie, liefst single-pill waar mogelijk.
3 Beperk zout, behandel obesitas/slaapapneu, stop BD-verhogende middelen.
4 Voeg spironolacton 25-50 mg/dag toe indien eGFR ≥30 en K ≤4,5 mmol/L.
5 Bij intolerantie: eplerenon, bètablokker als niet al geïndiceerd, daarna centraal werkend middel, alfablokker, hydralazine of kaliumsparend diureticum.
6 Renale denervatie alleen bij geselecteerde patiënten, in ervaren centrum, na shared decision-making. Niet bij eGFR <40 of secundaire hypertensie.

12. Secundaire hypertensie: wanneer en hoe screenen?

12.1 Wanneer denken aan secundaire hypertensie?

Aanwijzing Mogelijke oorzaak
Leeftijd <40 jaar met hypertensie Secundaire oorzaak; bij obesitas eerst OSAS evalueren.
Ernstige hypertensie of plots ontstaan Primair aldosteronisme, renovasculair, middelen, endocrien.
Resistente hypertensie Primair aldosteronisme, OSAS, CKD, renovasculair, medicatie.
Hypokaliëmie spontaan of diureticum-geïnduceerd Primair aldosteronisme.
Adrenal incidentaloom + hypertensie Primair aldosteronisme, Cushing, feochromocytoom.
Snurken, apneus, slaperigheid, obesitas, non-dipping OSAS.
Flash longoedeem, nierfunctiedaling na RAAS-remmer, abdominale souffle, nierasymmetrie Renovasculaire hypertensie.
Paroxysmen hoofdpijn/zweten/palpitaties Feochromocytoom/paraganglioom.
Cushingoïde habitus Cushing.
Schildklierklachten Hyper-/hypothyreoïdie.

12.2 Screeningstesten

Oorzaak Screening
Primair aldosteronisme Aldosteron-renine ratio; interpreteer in context van medicatie, K en zoutinname.
Renovasculaire hypertensie Nierarterie-Doppler, CT-angiografie of MRI.
Feochromocytoom/paraganglioom Plasma of 24-uurs urine metanefrine/normetanefrine.
OSAS Polysomnografie of slaaponderzoek.
Renoparenchymateuze ziekte Kreatinine/eGFR, Na/K, urine sediment/dipstick, ACR, nier-echo.
Cushing 24-uurs urine cortisol of low-dose dexamethason suppressietest.
Schildklierziekte TSH.
Hyperparathyreoïdie Calcium/fosfaat/PTH.
Coarctatie Echo cor, CT-angiografie aorta.

12.3 Primair aldosteronisme: praktische notities

Punt Praktisch
Hypokaliëmie ontbreekt vaak Normokaliëmie sluit primair aldosteronisme niet uit.
Medicatie-interferentie Bètablokkers, centraal werkende middelen, RAAS-remmers en diuretica beïnvloeden renine/aldosteron/ARR.
Medicatie die minder stoort Langwerkende CCB’s en alfablokkers.
Behandeling unilateraal Adrenalectomie als geschikt.
Behandeling bilateraal MRA, meestal spironolacton; eplerenon bij bijwerkingen.

13. Speciale patiëntgroepen

13.1 Jongvolwassenen 18-40 jaar

Punt Beleid
Diagnose Bevestig met HBPM/ABPM; wittejas komt voor.
Secundair Screen uitgebreid bij hypertensie <40 jaar; bij obesitas start met OSAS-evaluatie.
SCORE SCORE2 niet gevalideerd <40 jaar.
HMOD Overweeg HMOD-screening bij verhoogde BD om risico beter te bepalen.
Behandeling Meestal medicatie vanaf bevestigde ≥140/90, tenzij duidelijke hoog-risicoconditie.
Vruchtbare vrouwen Bespreek zwangerschap/anticonceptie; vermijd RAAS-remmers bij zwangerschapswens/zwangerschap.

13.2 Zwangerschap

Situatie Beleid
Definitie hypertensie ≥140/90, bevestigd met herhaalde metingen. Ernstig: ≥160/110.
Start medicatie Chronische of zwangerschapshypertensie: start bij bevestigde ≥140/90.
Doel <140/90, maar diastolisch niet <80 mmHg.
Eerste keus Labetalol, langwerkend nifedipine, methyldopa.
Niet gebruiken RAAS-remmers. Atenolol vermijden.
Spoed ≥160 systolisch of ≥110 diastolisch kan emergency zijn; opname overwegen.
Pre-eclampsie acuut i.v. labetalol of nicardipine + magnesium; nitroglycerine bij longoedeem.
Postpartum Controle binnen 6 uur na partus, daarna bij voorkeur dagelijks eerste week; follow-up 6-12 weken, 6 maanden, 12 maanden en jaarlijks.

13.3 Ouderen, frailty en orthostase

Situatie Praktisch beleid
<85 jaar, niet matig-ernstig frail Behandel volgens algemene richtlijn als verdragen.
≥85 jaar of matig-ernstig frail Start pas medicatie vanaf ≥140/90; individualiseer doel.
Startmiddel kwetsbare oudere Langwerkende dihydropyridine CCB of RAAS-remmer; daarna eventueel lage dosis diureticum.
Vermijd bij voorkeur Alfablokkers en bètablokkers zonder dwingende indicatie vanwege orthostase/falls/fatigue.
Progressieve frailty en dalende BD Overweeg deprescribing, ook van andere BD-verlagende middelen zoals sedativa/alfablokkers.
Orthostase Meet vóór start/intensiveren. Eerst non-farmacologisch; switch veroorzakende medicatie i.p.v. simpelweg alles afbouwen.

13.4 Diabetes

Situatie Beleid
Diabetes + verhoogde BD Na maximaal 3 maanden leefstijl medicatie bij bevestigde ≥130/80.
Doel Systolisch 120-129 indien verdragen.
Middelkeuze Alle hoofdklassen effectief; ACEi/ARB vaak gunstig bij albuminurie.
Let op Orthostase door autonome neuropathie; CKD/albuminurie; SGLT2/GLP-1 in bredere cardiometabole context.

13.5 Cardiale ziekte

Situatie Voorkeursmiddelen/beleid
Post-myocardinfarct Bètablokker + RAAS-remmer indien BD-behandeling nodig.
Angina Bètablokker en/of CCB.
HFrEF/HFmrEF ACEi/ARB of ARNI, bètablokker, MRA, SGLT2-remmer.
HFpEF SGLT2-remmer; ARB/MRA kan worden overwogen bij BD boven doel.
Aortaklepstenose/-insufficiëntie of matig-ernstige mitralisinsufficiëntie RAAS-blokker overwegen als onderdeel behandeling.

13.6 Stroke/TIA en cerebrale ziekte

Situatie Beleid
Voorgeschiedenis TIA/stroke + BD ≥130/80 Behandel; doel systolisch 120-129 indien verdragen.
Preventiestrategie RAAS-blokker + CCB of thiazide-achtig diureticum.
Acuut ischemisch CVA zonder reperfusie Meestal niet acuut verlagen tenzij ≥220/110; dan voorzichtig ca. 15% in eerste 24 uur.
Trombolyse/trombectomie Verlagen en houden <180/105 gedurende eerste 24 uur.
Intracerebrale bloeding Binnen 6 uur verlagen naar systolisch 140-160 overwegen; vermijd daling >70 mmHg binnen 1 uur bij uitgangs-SBP ≥220.

14. Hypertensieve emergency en urgency

Begrip Definitie Actie
Hypertensive emergency BD ≥180/110 met acute orgaanschade, bijvoorbeeld encefalopathie, intracerebrale bloeding, acuut coronair syndroom, acuut hartfalen/longoedeem, aortadissectie, eclampsie, maligne hypertensie, AKI. Opname, monitoring, meestal i.v. kortwerkende medicatie; oorzaak/orgaanschade gericht behandelen.
Hypertensive urgency Ernstige hypertensie zonder acute orgaanschade. Meestal geen opname; orale medicatie, snelle poliklinische follow-up.
Pijn/stress/intoxicatie BD kan secundair stijgen. Behandel trigger; wees voorzichtig met directe intensieve BD-daling.

Vuistregel: snelle, ongecontroleerde BD-daling kan schadelijk zijn. Behandel gecontroleerd en orgaanspecifiek.


15. Poliklinische workflow in 10 stappen

  1. Meet goed: gestandaardiseerd, juiste manchet, 3 metingen, gemiddelde laatste 2.
  2. Meet beide armen bij eerste bezoek; vervolg met hoogste arm.
  3. Check orthostase bij diagnose, ouderen, klachten of medicatie-intensivering.
  4. Bevestig diagnose met HBPM/ABPM, vooral bij 120-159 systolisch of twijfel.
  5. Bepaal risico: CVD, CKD, diabetes, FH, HMOD; anders SCORE2/SCORE2-OP.
  6. Doe basisdiagnostiek: glucose/HbA1c, lipiden, Na/K/Ca, Hb/Ht, TSH, kreatinine/eGFR, urine ACR, ECG.
  7. Screen secundair bij aanwijzingen; denk laagdrempelig aan primair aldosteronisme, OSAS, CKD en renovasculair.
  8. Start leefstijl altijd; bij hypertensie ≥140/90 ook medicatie, meestal combinatie.
  9. Titeer actief elke 1-3 maanden tot doel, bij voorkeur binnen 3 maanden, mits verdragen.
  10. Onderhoud: eenmaal stabiel minimaal jaarlijks BD, CVD-risico, nierfunctie/ACR en therapietrouw evalueren.

16. Snelle tabellen voor de spreekkamer

16.1 Keuze antihypertensivum per comorbiditeit

Comorbiditeit Voorkeur/overweging
Albuminurie/proteïnurie ACE-remmer of ARB.
CKD zonder albuminurie RAAS-remmer + CCB of diureticum vaak logisch; individualiseren.
eGFR <30 Loopdiureticum voor volumebehandeling; thiazide-achtig kan aanvullend geselecteerd.
Diabetes ACEi/ARB bij albuminurie; verder standaardklassen.
Post-MI Bètablokker + RAAS-remmer.
Angina Bètablokker en/of CCB.
HFrEF/HFmrEF ARNI/ACEi/ARB, bètablokker, MRA, SGLT2-remmer.
Zwangerschap Labetalol, langwerkend nifedipine, methyldopa.
Zwarte patiënt van sub-Sahara Afrikaanse afkomst Combinatie met CCB plus thiazide of RAAS-remmer overwegen.
Orthostase Liever ACEi/ARB of dihydropyridine CCB; vermijd/saneer alfablokkers, nitraten, diuretica-overbehandeling, sedativa waar mogelijk.

16.2 Bijwerkingen en controles

Klasse Vaak/klinisch relevant Controle
ACE-remmer Hoest, hyperkaliëmie, eGFR-daling, angio-oedeem zeldzaam. Kreatinine/eGFR/K.
ARB Hyperkaliëmie, eGFR-daling; minder hoest. Kreatinine/eGFR/K.
CCB dihydropyridine Enkeloedeem, flushing, hoofdpijn. Kliniek; oedeem.
Thiazide/thiazide-achtig Hypokaliëmie, hyponatriëmie, jicht, glucose/urinezuur. Na/K/kreatinine, urinezuur bij klachten.
Loopdiureticum Hypovolemie, hypoK/hypoNa, nierfunctiedaling. Gewicht, volume, Na/K/kreatinine.
MRA Hyperkaliëmie, eGFR-daling; spironolacton gynaecomastie. K/eGFR kort na start en frequent.
Bètablokker Bradycardie, moeheid, koude extremiteiten, erectiele dysfunctie. Pols, ECG indien nodig.

16.3 Alarmsignalen voor spoed

Signaal Denk aan
BD ≥180/110 + neurologische uitval, insult, verwardheid, visusklachten Stroke, encefalopathie, maligne hypertensie.
BD ≥180/110 + thoracale pijn/rugpijn ACS, aortadissectie.
BD ≥180/110 + dyspnoe/longoedeem Acuut hartfalen, renovasculair/Pickering.
Zwangerschap + ≥160/110 Ernstige zwangerschapshypertensie/pre-eclampsie.
Papiloedeem, retinabloedingen/exsudaten Maligne hypertensie.
AKI/hemolyse/trombocytopenie bij hoge BD Maligne hypertensie/TMA/differentiële diagnose.

17. Patiëntcommunicatie: korte uitlegzinnen

Thema Uitleg voor patiënt
Diagnose “Uw bloeddruk is te hoog. Dat merkt u meestal niet, maar het verhoogt op termijn de kans op beroerte, hartinfarct, hartfalen en nierschade.”
Chronisch karakter “Hypertensie is meestal een chronische aandoening. We behandelen dit langdurig, maar leefstijl kan soms medicatie verminderen.”
Doel “We mikken meestal op een bovendruk tussen 120 en 129, zolang u zich daar goed bij voelt en geen duizeligheid of nierproblemen krijgt.”
Thuismeten “Thuismetingen helpen om wittejaseffect te herkennen en medicatie veiliger af te stemmen.”
Therapietrouw “Veel mensen vergeten medicatie. Vertel het gerust; dan zoeken we een schema dat beter past.”

18. Hugo-tips voor implementatie

Gebruik eventueel korte partials/shortcodes voor tabellen zoals:

> **Praktisch punt**
>
> Streef bij de meeste behandelde patiënten naar systolisch 120-129 mmHg, mits goed verdragen.

Aanbevolen pagina-indeling:

  1. hypertensie/overzicht.md
  2. hypertensie/meten.md
  3. hypertensie/diagnostiek.md
  4. hypertensie/behandeling.md
  5. hypertensie/ckd.md
  6. hypertensie/resistente-hypertensie.md
  7. hypertensie/secundaire-hypertensie.md
  8. hypertensie/zwangerschap.md
  9. hypertensie/spoed.md